Home

Terug

Gruwez gidst (deel 2, 4 juli 2008)

'Dat de verte nabijer dan ooit was' (uit een gedicht van Gerrit Kouwenaar) is het motto van de 28ste PoŽziezomer van Watou. Rond het thema beweging en stilstand verenigt curator Gwy Mandelinck verzen en beeldende kunst. Een zomer lang gidst Luuk Gruwez u langs zijn favorieten in het parcours. Vandaag: 'Men moet' van Gerrit Kouwenaar.

Het gedicht

Het belangrijkste woord in Kouwenaars gedicht is waarschijnlijk 'nog'. Het wordt zeven keer herhaald, verwijst naar het dominerende thema van de dichter (de tijd) en naar de spanning tussen een aflopend heden en de toekomst die zijn intrede zal doen zodra de dood er is. In het laatste vers moet de tijd, als aaneenschakeling van ogenblikken, plaats ruimen voor de historische tijd die, geobjectiveerd tot een soort erfstuk ('vaders horloge'), naar het eens zo levendige verleden verwijst.

Het tweede belangrijkste woord is 'moet'. Het zijn als het ware de verplichtingen die ons in leven houden. Hoe zien die eruit? Zijn zij persoonlijk? Ja en nee. Sommige lijken het: maar er staat 'de zonen' en 'de dochters'.

Wat met persoonlijke anekdotiek te maken zou kunnen hebben, wordt zo goed als volledig geŽlimineerd: 'men', dat voor deze dichter zo karakteristieke persoonlijk voornaamwoord, is ontdaan van alle ikkerigheid.

Elk gedicht wil een balans zijn. In het besef dat hij allicht niet lang meer te gaan heeft, maakt Kouwenaar die hier op. Hoe luidt het vonnis? Hij benadrukt heel sterk dat hij nog niet klaar is met het bestaan. Hij moet er de winter nog van uitzitten en terugblikken op zijn zomers. Hij lijkt te opperen: 'Dood, gelieve mij niet te onderbreken, nu nog niet.' Vandaar dat voortdurende gependel tussen onthechting ('zijn huis ontwennen') en toch weer een (dichterlijk) toekomstplan ('zijn inktlint vernieuwen').

De dichter eist zelfs tijd op voor een groot, maar volstrekt nutteloos gebaar: 'een kuil graven voor een vlinder'. Precies omdat hij maar niet eindigen kan, is dit typisch Kouwenaar. Vandaar ook: geen punt, maar een gedachtestreep na de slotstrofe. De eindbalans is er een die niemand zelf opmaken kan.

Men moet

Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis
nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen

men moet nog boodschappen doen voor het donker
de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder

men moet de zonen nog moed inspreken, de dochters
een harnas aanmeten, ijswater koken leren

men moet de fotograaf nog de bloedpas wijzen
zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen

men moet nog een kuil graven voor een vlinder
het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge -

Gerrit Kouwenaar

Uit: De tijd staat open, Querido, 1996.

De dichter

Gerrit Kouwenaar (1923) wordt beschouwd als een van de belangrijkste nog levende Nederlandse dichters. In 1989 ontving hij de Prijs der Nederlandse Letteren. Tot zijn bekendste dichtbundels behoren Volledig volmaakte oneetbare perzik (1978), Een geur van verbrande veren (1991) en Totaal witte kamer (2002).