Gedicht Luuk Gruwez  over Watou

(uit nieuwe Watou bundel 2005)

 

Een paar van ons zijn er verdomd al niet meer bij.

Soms klinkt het in ons hoofd rampzalig hol

als in een kamer waar de inboedel is weggehaald.

Wij missen hun aparte onomatopeeŽn, hun kwaadsprekerij,

de vuilbekkerij, de sluwe stilistiek van God of Geilheid.

En hoe het Hommelbier kon klotsen in hun jamben.

Een paar van ons zijn van ons weggegaan. Te vroeg.

Het lijkt of ze nog bij ons zijn en langzaam en zelfs samen,

maar ook al onvoorstelbaar ver en weg. Hun afscheid kende

geen pardon en dondert in de verte na.

   

Kom toch naar ons, kom ons toch na.

Watou, okť, maar er is niets, nee niets zo paradijselijk als niet meer te bestaan.


En wij maar talmen. Wij willen met zijn allen

alle dichters van de wereld zijn en liefst voorgoed.

Vandaar dat wij zo blijven plakken, blijven hangen

In dit gebenedijde dorp dat geen van ons ooit redden zal.

Want kijk, ze staan al voor ons klaar: de magnifieke galgen.

Weldra grijnst heel Watou ons triomfantelijk toe.